Uut 't Wald | Voelbekken

Voelbekken

Ik ben nog van de generatie die belang hecht aan betamelijk taalgebruik. Ik moet dus wel heel erg kwaad zijn als ik ga vloeken en schelden. En als ik het dan een keer wél doe, probeer ik het in onze streektaal te doen. Dan klinkt het meestal iets vriendelijker. Hoewel ... Als je nagaat dat vloeken en schelden samen te vatten is onder het woord voelbekken, dan kun je bij die laatste bewering toch wel weer vraagtekens plaatsen.

Het meest gebruikelijke dialectwoord voor schelden is raozen. Dat kent bijna iedereen in de Achterhoek. Maar rond Zutphen en Gorssel heeft men het ook wel over rachelen. In Laren spreekt men van roazekalveren en rond Eibergen van dommederen. Maar het oudst bekende Achterhoekse woord voor schelden is hessebessen.
Een ander oud woord voor schelden is bekken. En daarvan afgeleid is het woord bekkedeer. Hetgeen staat voor een vrouw die erg veel scheldt en schimpt.

Van schelden komt natuurlijk snel vloeken. Ofwel vleuken (vluken). Maar in Zutphen zegt men ketteren.
En dan heb je het over niet al te onbeschaafd vloeken. Als mensen het erg bont maken, dan is daar meestal wel weer een andere uitdrukking voor. Dan heb je het bijvoorbeeld over 'der ne knoop op zetten'. Of ook wel: 'n knoop slaon, of: der 'n knup aoverhen slaon.

Op dat soort grof vloeken kun je boos reageren. Maar je kunt ook vriendelijk vragen: "Is dat ons margengebed?"

Meer berichten