UUt 't Wald | Wasken

Wasken

Zouden ze nog bestaan? Huisvrouwen die alle vuile was een week lang opsparen en er dan op maandag pas mee aan de gang gaan? Ik kan het me niet voorstellen, maar nog geen halve eeuw geleden gold nog maandag wasdag.
Dat was natuurlijk wel voordat in elk huis een wasautomaat stond. In de tijd dat het wassen, wasken of wösken zei men in de Achterhoek, nog een hele dag werk was. Zwaar werk, bovendien.
Overigens gebruiken ook veel dialectsprekers tegenwoordig het Nederlandse woord wassen. Gewoon een kwestie van de constante verandering waaraan elke taal nu eenmaal onderhevig is. Vandaar dat wassen tegenwoordig een dubbele betekenis heeft. Het betekent namelijk ook groeien. Maar dit terzijde.
In het pre-machinale tijdperk ging het wasgoed in een met heet, soms kokend water gevulde teil of ton. Als die van zink was, dan sprak men in de Achterhoek van een teil(e) of wasteil. Of van een wasbusse. Voor een houten ton waren diverse benamingen, soms van dorp tot dorp verschillend. In de zuidelijke Achterhoek sprak men van een waskuup, meer noordelijk heette diezelfde ton waskupe of gewoon kupe. Waskuven is een wat ouder woord. Maar in Beltrum sprak men van een wöskekuven en in Winterswijk en Varsseveld van een buukkuven.
Overigens werd er op veel boerderijen lang niet elke week gewassen. Omdat er soms domweg geen tijd voor was. En als de rogge moest worden geoogst kon de was zelfs wel een week of zes blijven liggen. Want na een hele dag in het hete water waren de handen van de boerin zo gerimpeld, dat ze de rogge niet meer kon binden.

Meer berichten